donderdag 12 juni 2014

Ouderen in veilige handen



Op maandag 26 mei 2014 heeft de groep Senioren Utrecht West een themamiddag
gehouden met als onderwerp Senioren en Veiligheid. Het onderwerp was toegespitst op huiselijk geweld dat senioren op allerlei locaties kunnen ervaren.
Ouderenmishandeling, zowel fysiek, psychisch als financieel kom in hoge mate
voor en blijkt alleen nog maar toe te nemen.



Een tweetal inleiders van het Steunpunt Huiselijk Geweld en van de ANBO hebben de aanwezige leden aan de hand van films en gesprekken inzicht gegeven over de alarmerende situatie in deze.
De onderliggende gedachte van deze middag was de leden te vragen alert te zijn op dergelijke zaken in hun omgeving en bij herkenning, melding te doen aan de instanties.


U kunt bellen naar Steunpunt Huiselijk Geweld 0900-1262626.

donderdag 9 januari 2014

ONS PENSIOEN, NU EN IN DE TOEKOMST



Inleiding door Albert Vink, lid dagelijks bestuur van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn en van het Pensioenfonds voor de Sociale Werkvoorziening op 18 november 2013


Met betrekking tot de pensioenen spelen de volgende zaken:

Witteveen 1
Er zijn reeds wijzigingen aangebracht in de opbouw van pensioenen. De maximale belastingvrije opbouw is al verlaagd van 2,25% naar 2,15%. Tevens gaat men uit van een hoge franchise – het bedrag waarover men geen premie betaalt, omdat men AOW ontvangt – van € 10.940.
Alle prognoses wijzen erop, dat de mensen steeds langer blijven leven. De pensioenen moeten  langer worden doorbetaald. Een en ander wordt berekend via de LAM (Leeftjds-Aanpassings-Mechanisme). De leeftijd, waarop men AOW ontvangt, wordt geleidelijk verhoogd van 65 naar 67 jaar. De pensioenen volgen dit door reeds nu de rekenleeftijd te plaatsen op 67 jaar. Men kan vanaf 60 jaar met pensioen gaan, maar moet dan wel de tijd tot de AOW zelf overbruggen. Op den duur zullen we werknemers nodig hebben, onder meer in de zorg, het onderwijs, e.d. Op dit moment worden mensen echter ontslagen, waardoor de overgang naar de AOW-leeftijd problematisch is.


Witteveen II
Er ligt nu een voorstel om de maximale belastingvrije opbouw verder te verlagen naar 1,75%, eventueel zelfs naar 1,55% en de bovengrens te plaatsen op € 100.000. Premie voor een inkomen boven dat bedrag is dan niet meer belastingvrij. Dit is in de Eerste Kamer tegengehouden en is nu opnieuw in discussie met de oppositiepartijen. Doel is 3 miljard vrij te spelen. Aan de orde is de hoogte van de maximale belastingvrije opbouw. Er wordt onder meer gesproken over 1,85%. Het is de vraag, of je als jongere voldoende pensioen kunt opbouwen. Volgens ons heb je daar een opbouw van minstens 2,0% voor nodig. Tevens wordt gesproken over de bovengrens. Er wordt nu onder meer gesproken over € 65.000. Waar het op uitkomt is op dit moment nog niet te zeggen.


Financieel Toetsingskader (FTK)
In het verleden is voorgespiegeld, dat men na 40 dienstjaren een pensioen krijgt van 70% van het eindsalaris. Onvoldoende is daarbij tot uiting gebracht, dat deze toezegging voorwaardelijk was. “We doen niet, wat we beloven”. Inmiddels is het eindloon bij verreweg de meeste pensioenfondsen omgezet in middelloon om de topinkomens niet onevenredig de pensioenen te doen belasten..
Tevens is niet tot uiting gebracht, dat de ambitie is te indexeren, maar dat dit afhangt van de wettelijke positie van het fonds.
Men is nu bezig een nieuwe pensioenwet op te stellen. In de voorbereiding ging men aanvankelijk uit van een keuze tussen twee soorten contracten: een nominaal contract, dat uitgaat van 97,5% zekerheid, of een reëel contract, waarin de indexatie-ambitie is verwerkt. In het reële contract kan men mee- en tegenvallers uitsmeren over 10 jaar. Dat geeft een grotere waarschijnlijkheid op indexatie.
Op dit moment spreekt men over één tussenvariant tussen het nominale en het reële contract. Er liggen nu vijf tussenmodellen op tafel, waarvan er drie een redelijke kans maken. Het Ministerie van Sociale Zaken en de Nederlandse Bank gaan primair uit van het nominale contract, zeer tegen de wens van de grotere pensioenfondsen. Hangende de discussie mogen de pensioenfondsen hun winsten op dit moment niet uitkeren. Korting wordt echter ook slechts beperkt toegestaan. Bij berekening van de dekkingsgraad mag men in de nieuwe wet mede uitgaan van de rendementen, maar het is nog niet duidelijk voor hoeveel.
De Wet zal waarschijnlijk pas in januari worden voorgelegd ter behandeling in het Parlement. Aangezien de pensioenfondsen een klein jaar nodig hebben om alles voor te bereiden, is het nog onduidelijk of de Wet per 1 januari 2015 in werking kan treden.


Governance
Het betreft hier regels m.b.t. bestuur, toezicht en medezeggenschap. De Wet versterking pensioenfonds is al effectief. Pensioenfondsen moeten meer deskundigheid aantrekken m.b.t. beleggingen en risicomanagement. Kleine fondsen huren deze deskundigheid in; grotere pensioenfondsen nemen deze deskundigheid op in het bestuur. Daarnaast houden grotere fondsen ook externe beursspecialisten.
Komende bestuursleden moeten goedgekeurd worden door de Nederlandse Bank. Deze houdt er een zware toetsing op na. Feitelijk ziet ze node vakbondsbestuurders in het bestuur van een pensioenfonds en wil men meer externe deskundigen.
De wet verplicht per 1 juli gepensioneerden op te nemen in het bestuur. Het aantal is afhankelijk van het percentage gepensioneerden in het fonds. Voor PFZW is het één gepensioneerde; voor ABP zijn het er twee. Ook deze bestuursleden krijgen dezelfde strenge toetsing door de Nederlandse Bank.
Feitelijk loopt het aantal pensioenfondsen terug vanwege de hoge eisen en de daarmee gepaard gaande kosten.
De Wet kent vijf bestuursmodellen. Deze worden gekenmerkt door de plaats, die externe deskundigen innemen in het bestuur. Enerzijds heb je een zuiver paritair bestuur, bestaande uit werkgevers en werknemers. Daarbij is een Raad van Toezicht met externe deskundigen vereist. Anderzijds heb je een zuiver extern bestuur. PFZW en ABP kiezen voor een paritair bestuur.
De medezeggenschap wordt geregeld in een verantwoordingsorgaan.


Rekenrente
De rekenrente bepaalt de voorspelling, wat een bepaalde inleg gaat opbrengen voordat het wordt uitbetaald. Deze voorspelling wordt enerzijds bepaald door de duur van de beleggingen en anderzijds door de hoogte van de rente, die de beleggingen opbrengen.
Wat betreft de duur, kunnen we stellen, dat premie die door jongeren wordt opgebracht meer opbrengt dan premie die door ouderen wordt opgebracht. Feitelijk betalen jongeren evenveel premie als ouderen. Jongeren betalen daardoor te veel en ouderen te weinig. De omslag ligt ongeveer bij de leeftijd van 43 jaar. Dit zou men kunnen opvangen door de opbouw bij jongeren hoger te waarderen dan bij ouderen.
Wat betreft de verwachte rente, is men nu verplicht uit te gaan van de zogenaamde rekenrente. Deze rekenrente is de actuele marktrente. Deze is laag, omdat de Centrale Banken deze marktrente bewust laag houden. Dat heeft een negatieve invloed op het dekkingspercentage. Men heeft namelijk een hoger kapitaal nodig, als men ervan moet uitgaan, dat dit kapitaal minder zal opbrengen. Het probleem zit hem niet in een verkeerd beleggingsbeleid, maar in de lage rekenrente. In 2008 hadden we een veel minder vermogen, maar konden we rekenen met een rekenrente van 4,5%. Daardoor was de dekkingsgraad hoog. In 2013 hebben we een veel groter vermogen, maar mogen we slechts rekenen met een rekenrente van 2,5%. Nu is de dekkingsgraad laag.
De pensioenfondsen willen een stabiele rekenrente en niet afhankelijk zijn van de marktrente. Er is reeds enige soelaas gegeven, omdat pensioenfondsen ervan mogen uitgaan, dat de rekenrente in de loop der jaren zal groeien naar 4,2. We noemen dat de UFR. Op dit moment is een club van wijze mensen van de Sociaal Economische Raad bezig dit cijfer te herzien. Men wil de feitelijke rendementen meewegen. De laatste gegevens wijzen erop, dat men uit kan gaan van een rekenrente van 3,9. Overigens heeft de Nederlandse Bank zich hierbij teruggetrokken.
De dekkingsgraden zijn de laatste tijd weer gegroeid. Het ABP wil eerst de korting terugdraaien; het PFZW zal waarschijnlijk gedeeltelijk indexeren. De beslissing valt echter op basis van de stand van zaken op 31 december.


Vertrouwen
Omdat indexeren langere tijd afwezig is gebleven en sommige fondsen hebben moeten korten, is het vertrouwen in pensioenfondsen sterk gedaald. De publicaties in de media hebben daar evenmin goed aan gedaan. De deskundigheid van Kamerleden is ook niet altijd even hoog. Zij zijn niet getoetst door de Nederlandse Bank.
Er is ook een negatieve discussie tussen jong en oud. Indexeren zou slecht zijn voor jongeren. Feitelijk heeft indexeren ook invloed op op te bouwen rechten en is daarom net zo goed voor jongeren, Oppotten zou goed zijn voor jongeren en slecht voor ouderen. Het feitelijk beschikbare kapitaal is echter ruim voldoende voor jong en oud.


Oranje investeringen
Men hoort vaak de roep, dat pensioenfondsen in Nederland moeten investeren. De pensioenfondsen zijn daartoe best bereid, maar alleen als het goed rendeert en investeringen een minimale omvang hebben. Echter ook banken zijn wel bereid te investeren in goed rendabele projecten. Twee werkgroepen maken op dit moment studie van de vraag, of we in Nederland kunnen investeren. De ene maakt studie van hypotheken; de andere in investeringen in duurzame projecten,  infrastructuur en zorg. Zouden we een evenredig aandeel investeren in Nederland, dan zouden we daar 5% investeren. Feitelijk investeren we daar 8%.
We investeren over de hele wereld, zoals in fondsen, bedrijven, goederen, grondstoffen, e.d. Een aantal zaken hebben we uitgesloten, zoals clusterbommen, tabak, e.d. Geld gaat niet naar het buitenland, want we krijgen er veel meer voor terug. Men heeft wel kritiek op het beleggingsbeleid. Zo zou men te veel beleggen in risicovolle landen. Feitelijk hebben staatsobligaties in Griekenland veel opgebracht, maar PGGM heeft zich daaruit grotendeels teruggetrokken, omdat het risico te groot was.
In 2008 hebben we 20% verloren. Nu hebben we betere rendementen. We beleggen bij PFZW 30% in vastrentende waarden (onder meer obligaties) en 70% in zakelijke waarden (aandelen). Een deel van de beleggingen is onderwerp voor rente-afdekking. Dat kan echter verkeerd uitvallen, zoals blijkt bij de pensioenfondsen metaal.
PGGM is gedeeltelijk afhankelijk van de deskundigheid van externe beleggers. Men verleent slechts een bonus, als een belegger gedurende 8 jaar bovennormale winst heeft behaald. In feite is dat een pervers systeem, maar anders kan men de deskundigen niet aantrekken.


Verplichtstelling

Op dit moment is men verplicht pensioen op te bouwen bij het pensioenfonds, waartoe de werkgever behoort. Ook dat staat ter discussie. Vooral jongeren willen zelfstandig beleggen. Juist door de verplichtstelling kunnen pensioenfondsen echter een beter beleggingsbeleid voeren. Daardoor kan men veel meer uitbetalen dan is ingelegd. Men krijgt ongeveer vier keer zoveel als men heeft ingelegd.

vrijdag 31 mei 2013

Zo lang mogelijk zelfstandig leven en wonen

ZO LANG MOGELIJK ZELFSTANDIG
Door Kees Tilanus
De ouderen worden min of meer gedwongen om in hun eigen huis te blijven wonen ook als de zorgvraag bij hen toeneemt.
De meeste mensen zullen ook graag zelfstandig in hun wijk met bekenden blijven wonen maar de verzorging en verpleging die zij eventueel nodig hebben moet zodanig geleverd worden dat dit ook mogelijk is.
Het is voor de zorgvragers belangrijk dat zij de zorg waar zij behoefte aan hebben ook krijgen en dat dit op een transparante manier gebeurt. 

Lees het hele artikel >>>
Download de hele tekst >>>


bron: website LOIS

donderdag 6 september 2012

Ouderenzorg naar de zorgverzekeraars?

De zorgverzekeraars willen de ouderenzorg zelf ter hand nemen en niet dat die wordt overgeheveld van de AWBZ naar de gemeenten. Dat zegt André Rouvoet van Zorgverzekeraars Nederland in een interview in Trouw woensdag. Volgens hem kunnen de verzekeraars de ouderenzorg beter, efficiënter en goedkoper uitvoeren dan de gemeenten.Het tekort voor de AWBZ bedroeg vorig jaar 3,3 miljard euro. Het was het derde jaar op rij dat het tekort meer dan 3 miljard euro bedroeg, maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maandag bekend. Veel politieke partijen pleiten er nu voor om de verpleging en verzorging van ouderen uit de AWBZ naar de gemeenten te verschuiven.

Echte zorg
‘Ik kan me voorstellen dat de politiek de huishoudelijke hulp - en straks ook de begeleiding - overhevelt naar de gemeenten. Dat is welzijnswerk, geen onverzekerbare zorg. Maar wassen, medicijnen toedienen of een stoma aanleggen, dat is echte zorg. Dat moet een verzekerd recht blijven en niet een sociale voorziening ter beoordeling van de gemeenten. Straks moet je maar afwachten of je die zorg krijgt’, aldus Rouvoet.

(bron: Nieuwsbrief 6 september 2012 Zorg en Welzijn)

Bent u het daarmee eens?

donderdag 29 maart 2012

Ouderenzorg gebaat bij meer verpleegkundigen

Er zijn meer verpleegkundigen nodig in de ouderenzorg. De wetenschappelijke kennis van verpleegkundigen zou de kwaliteit van de zorg verbeteren, schrijft staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (Volksgezondheid) in een brief aan de Tweede Kamer. In haar brief noemt de staatssecretaris zes projecten die ervoor moeten zorgen dat er meer verpleegkundigen instromen in de ouderenzorg.

De staatssecretaris benadrukt dat de regie in de ouderenzorg meer bij de (wijk)verpleegkundigen moet komen te liggen. ‘Op deze wijze wordt het interessanter om in deze sector te werken en komen er meer verpleegkundigen beschikbaar,’ schrijft zij.

Specialisatie

Om ervoor te zorgen dat meer verpleegkundigen kiezen voor een baan in de ouderenzorg loopt er

een pilot waarbij hbo-verpleegkundigen kunnen kiezen voor een uitstroomvariant gerontologie en geriatrie (vgg), die gericht is op ouderen met specifieke gezondheidsproblemen. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk 240 nieuwe hbo-v’ers met deze specialisatie bij komen.

Onderzoek

Daarnaast wordt aan de Universiteit Maastricht onderzoek gedaan naar de rol van verpleegkundigen in verpleeghuizen en naar manieren om hun werk effectiever te maken. Ook wordt onderzocht hoe zij meer ‘evidence based’ kunnen werken. Dit houdt in dat het uitvoeren van werkzaamheden wordt gebaseerd op de best beschikbare informatie over doelmatigheid. Het onderzoek bestaat uit drie deelprojecten.

Projecten

Het eerste project gaat in op de meest voorkomende gezondheidsklachten waarmee verpleeghuisbewoners kampen: van ondervoeding tot decubitus, gedragsproblemen en valincidenten. In het tweede project wordt gezocht naar oplossingen voor het probleem dat wetenschappelijke kennis vaak niet doordringt tot de zorgpraktijk. Het derde project draait om de mogelijkheid om de deskundigheid van zorgverleners te verhogen.

Bekijk hier de brief van Veldhuijzen van Zanten aan de Tweede Kamer


bron: Zorg en Welzijn

maandag 9 januari 2012

Zijn gepensioneerde leden vooral goed voor de contributie of wordt ook door de vakbeweging hun plaats in de maatschappij erkend en bevorderd?

***Hierna volgt een deel van de notitie van Kees Tilanus over de waarde van het vrijwilliggerswerk en de (beperkte) ondersteuning in deze door de vakbeweging.***

De vakbeweging richt zich met name op betaalde arbeid. Mogen wij verwachten, dat ze zich ook inzet voor vrijwilligerswerk? In haar beleidsnota’s erkent de FNV echter wel degelijk de waarde van vrijwilligerswerk. Vrijwilligersbeleid in de vakbeweging beperkt zich echter grotendeels tot de vrijwilligers, die functioneren binnen de eigen geledingen. En ook dat beleid is lang niet overal afdoende ontwikkeld. De aandacht van de vakbeweging voor vrijwilligerswerk, met name het vrijwilligerswerk buiten de eigen geledingen, is uiterst beperkt.

Betekent dat echter in feite niet, dat de vakbeweging de waarde van vrijwilligerswerk onvoldoende onderkent. In het verleden werd vaak “betaalde en onbetaalde arbeid” in één adem genoemd. Die periode lijkt voorbij te zijn, maar houdt dat ook niet in, dat leden die niet (meer) in staat zijn betaalde arbeid te verrichten ondergewaardeerd worden? Zijn gepensioneerde leden vooral goed voor de contributie of wordt ook door de vakbeweging hun plaats in de maatschappij erkend en bevorderd? Kan door genoemde ‘loopbaanontwikkeling’ de betekenis van ouderen in de samenleving, maar ook binnen de eigen vakbeweging, niet worden bevorderd?

Natuurlijk moet de vakbeweging erop toezien, dat vrijwilligerswerk niet in de plaats komt van beroepswerk (verdringing). Daar staat tegenover, dat beroepskrachten en vrijwilligerswerk elkaar steeds meer nodig zullen hebben. Meedenken door vrijwilligers kan ertoe leiden, dat in goed overleg de taken van beroepskrachten en van vrijwilligers worden afgesproken en een duidelijke taakafbakening ontstaat van het vrijwilligerswerk. Het is daarom gewenst, dat de vakbeweging een beleidskader formuleert, waarin beroepskrachten en vrijwilligers samenwerken en elkaar ondersteunen en elkaar niet in de weg staan.

Kees Tilaus, april 2011

(de gehele notitie kunt u opvragen door een email te sturen naar: wdeijkers@vereniging.abvakabo.nl)


Het pensioendossier

Verslag van de themamiddag verzorgd door Rob Barnhoorn op 18 oktober 2011

Er is een conflict ontstaan tussen AbvaKaboFNV en BondgenotenFNV en de andere vakbonden in de FNV. We willen vanmiddag onder meer ingaan op de kern van dit conflict. Zoals bekend is er in 2010 een pensioenakkoord gesloten. Dat is in een referendum voorgelegd aan onze leden. Een grote meerderheid van de leden is hiermee akkoord gegaan. Dit akkoord moest echter nader worden uitgewerkt. Dat is in 2011 gebeurd.

Zowel in de Kabinetsvoorstellen als in het pensioenakkoord stijgt de AOW-leeftijd in 2020 naar 66 jaar en stijgt deze AOW-leeftijd verder, als de levensverwachting blijft stijgen. De Kabinetsvoorstellen voorzagen echter geen mogelijkheid de AOW eerder te laten ingaan dan de pensioengerechtigde leeftijd. In het pensioenakkoord is die mogelijkheid wel afgesproken. Vanaf 65 jaar is het mogelijk de AOW per maand te laten ingaan, maar tegen een lager bedrag. Daarnaast is in de uitwerking met de werkgevers afgesproken, dat de premie niet meer zal worden verhoogd. Het risico, dat de pensioenfondsen geen geld genoeg hebben om de pensioenen en de indexatie te betalen zou dus geheel bij de deelnemers komen te liggen .

Deze uitwerking is opnieuw voorgelegd aan onze leden. Degenen, die hun stem hebben uitgebracht, hebben de uitwerking afgewezen, tenzij er wordt voldaan aan twee voorwaarden:

1. Voor lage inkomens moet het mogelijk zijn met 65 jaar uit het arbeidsproces te treden. De periode tot de werkelijke AOW-leeftijd moet kunnen worden overbrugd zonder aanzienlijk verlies van het huidige recht op AOW.

2. De werkgevers moeten bereid zijn mede bij te dragen in het risico van de pensioenen.

Voordat over deze uitwerking stemming plaatsvond in de Federatieraad FNV heeft de minister in de Tweede Kamer toezeggingen gedaan, die verder gaan dan de uitwerking. De AOW zal per jaar extra worden verhoogd met 0,6%. Het is vanaf 65 jaar mogelijk de AOW per maand te laten ingaan tegen een vergelijkbaar niveau als nu. De 0,6% per jaar is echter niet voldoende om de verlaging van de AOW op te vangen. De huidige levensloopregeling wordt vervangen door vitaliteitssparen, d.w.z. de mogelijkheid om voor vroegpensioen te sparen onder vergelijkbare voorwaarden als nu. Voor mensen met een laag inkomen zal echter sparen moeilijk zijn. Tevens kunnen alleen diegenen, die reeds een bedrag hebben gespaard, van deze regeling gebruik maken. Daardoor is deze regeling ongunstig voor nieuwe spaarders. De vitaliteitsregeling moet nog nader worden uitgewerkt. Tevens worden ouderenkortingen anders ingezet en belastingkortingen opgeheven. Er ligt echter ook geen centrale afspraak met de werkgevers, dat zij bij een tekort moeten bijbetalen. Dat kan alleen worden geregeld in de afzonderlijke CAO’s. Dit punt ligt vooral bij de Bondgenoten gevoelig, omdat zij vaak te maken hebben met kleinere werkgevers. Bondgenoten noemen het akkoord dan ook een casino-akkoord. Zij en wij wensen een grotere zekerheid. In het akkoord wordt te veel overgelaten aan de afzonderlijke pensioenfondsen.

AbvaKaboFNV en BondgenotenFNV hebben in de Federatieraad enerzijds het eerder ingenomen standpunt verdedigd en anderzijds gevraagd de beslissing uit te stellen totdat meer duidelijkheid is over het standpunt van de minister en de wijze waarop de toezeggingen worden betaald. AbvaKaboFNV en BondgenotenFNV vertegenwoordigen gezamenlijk ruim 60% van alle leden. De Federatieraad heeft desondanks het standpunt van AbvaKaboFNV en BondgenotenFNV niet overgenomen en heeft de uitwerking aanvaard zonder genoemde voorwaarden. Statutair is dat mogelijk, omdat er eerder is afgesproken, dat de stemverhouding het aantal leden niet volgt.

Daarnaast staan er in het akkoord uitgangspunten voor arbeidsparticipatie. Als de AOW-leeftijd omhoog gaat, is het van belang, dat men langer blijft doorwerken. Er zijn uitgangspunten geformuleerd met betrekking tot behoud van gezondheid en vitaliteit; behoud of ontwikkelen van kennis en vaardigheden door scholing; flexibiliteit en mobiliteit binnen of buiten het eigen werk en een goede verhouding tussen de kosten en de productiviteit. Een en ander moet echter nog nader worden uitgewerkt. Het Kabinet ondersteunt weliswaar de aanpak rond arbeidsparticipatie, maar moet ook faciliterende maatregelen nemen. Op dit moment is er sprake van een doorwerkbonus. Dat maakt plaats voor een arbeidsbonus, maar dat is ongunstiger. Ook staat in een aantal CAO’s nog een leeftijdsontslag opgenomen op AOW-leeftijd. Ook dat moet van tafel. Er bestaat dan ook nog veel onduidelijkheid op dit punt.

Spreken we over de actuele zaken rond het pensioendossier, dan moeten we ook ingaan op de lage dekkingsgraden. We moeten op langere termijn rekenen op lage renten en dat werkt zeer negatief uit. Er bestaat nu een dekkingstekort, d.w.z. volgens de huidige berekeningen is er te weinig geld om de pensioenen over langere tijd te blijven betalen. Onze uitgangspunten zijn:

· Er moet gelijke behandeling zijn van de generaties. Op dit moment protesteren de jongeren. Er wordt gesteld, dat indexatie bij ouderen minder belangrijk is dan de toekomst voor jongeren. Het pensioen moet generatieproof zijn. Daar staat tegenover, dat jongeren meer kans maken op herstel. Er is echter wel sprake van een instabiele arbeidsmarkt.

· De indexatie-ambitie moet vastliggen.

· Er moeten buffers zijn, maar ook weer niet te groot

· Er moet gerekend kunnen worden met minder flexibele rente. De rente is nu wel extreem laag. We moeten eventueel uitgaan van een gemiddelde rente over een langere periode. Jongere vrezen echter, dat door uit te gaan van een hogere rekenrente er later onvoldoende geld zal zijn om hun pensioenen adequaat uit te blijven betalen.

Bij een hogere AOW-leeftijd betalen de 65- en later ook de 66-jarigen AOW-premie. Ook daardoor gaat men achteruit.

Kortom, het in 2010 gesloten akkoord heeft onze steun, maar wij hebben grote moeite met de uitwerking. Er is tevens nog zoveel onduidelijk, dat we er grote moeite mee hebben, dat deze uitwerking door de FNV is aanvaard. Agnes Jongerius ging niet in op onze bezwaren en dreef stemming door. Bondgenoten en wij hebben daarom het vertrouwen in Agnes Jongerius opgezegd. Ook binnen AbvaKabo zijn echter de meningen verdeeld. Er komt nu een commissie van goede diensten, die moet zien de eenheid binnen de FNV te herstellen. Er zijn nu twee formateurs benoemd. (Hun voorstellen zijn inmiddels breed in de media aan de orde geweest; nu wachten op de feitelijke uitwerkingen).

Woerden, 6 november 2011

Kees Tilanus