maandag 7 februari 2011

Nieuwe uitgangspunten pensioenakkoord

AAN Bondsbestuur en Bondsraad ABVAKABO

cc. Sectorbestuur en Sectorraad Senioren

betreft: nieuw pensioenakkoord

Bondgenoten:

In onze maandelijkse bestuursvergadering hebben wij enige tijd gesproken over de uitgangspunten voor een mogelijk nieuw pensioenakkoord zoals die eind januari 2011 aan de Bondsraad zijn voorgelegd:

A. de rente om de verplichtingen van de fondsen te berekenen zou niet langer gebaseerd worden op een actueel moment, maar een gemiddelde over de afgelopen zeven jaar kunnen betreffen;

B. verdere verhoging van de gemiddelde levensduur worden evenredig omgezet in een latere pensioendatum, zodat dit element niet langer tot hogere verplichtingen voor de fondsen leidt.

Wij hebben hierop het volgende commentaar:

ad A. Als beoogd wordt een economische cyclus te benaderen, zou eerder gedacht kunnen worden aan een periode van twaalf tot vijftien jaar (dan de zeven jaar die nu zijn genoemd). Belangrijker is echter dat de rekenrente een zekere voorspellende waarde moet hebben voor de rendementen die de fondsen kunnen behalen. De indertijd gekozen interbancaire rente blijkt daaraan niet te voldoen, vooral nu de centrale banken de rente laag houden om de financiële crisis te bestrijden. Inmiddels heeft ook de Tweede Kamer aangedrongen op een passender rente. Gedacht zou bv kunnen worden aan de rente die AA+instanties betalen, of evt. zelfs de hypotheekrente (hoewel die nu in Nederland alleen door de RABO wordt bepaald, nu de ABN-AMRO en ING wegens de staatssteun niet mogen concurreren).

ad B. Belangrijker dan de stijgende gemiddelde levensduur vinden wij de grote verschillen naar milieu.

Grofweg is de gemiddelde levensduur (na pensioen) voor mannen uit lager milieu ca 74 jaar (vrouwen <80>

maar voor hoger milieu voor mannen ruim 80 jaar (en vrouwen > 85 jaar).

De voorgestelde maatregel om de pensioendatum evenredig te verhogen met de stijging van de gemiddelde levensduur kan dus ertoe leiden dat personen uit lager milieu feitelijk MINDER PENSIOENJAREN krijgen, - ook al hebben zij steeds dezelfde premies betaald,

Wij vinden dat in een mogelijk pensioenakkoord aan deze feitelijke milieu-ongelijkheid een en ander moet worden gedaan.

Dat kan bv door eerdere en vollediger indexatie (en later en minder afstempeling) voor pensioenen tot bv 10.000 of 15.000 euro/jaar. Eenzelfde effect kan ook worden bereikt bij indexatie grotendeels in centen i.p.v. percenten (en omgekeerd bij afstempelen). Dat vereist echter inventiever telwerk bij het CBS, Een andere mogelijkheid om vooral personen uit lager milieu langer van AOW en pensioen te laten genieten is de mogelijkheid volledig met AOW & pensioen te gaan na bv. 42 werkzame jaren.

Ook denken wij dat het van belang blijft te kunnen kiezen voor een (lager) pensioen bij 65 jaar (en andere momenten dan de nieuwe norm),

Wij wensen jullie veel sterkte en solidariteit toe bij het verdere beraad over een nieuw pensioenakkoord.

Namens het bestuur van de ABVAKABO-senioren afdeling Utrecht-West, Utrecht, 7 februari 2011

Wouter Koning

woensdag 12 januari 2011

Bonden van Overheidspersoneel Vechten voor Beter Pensioen

Minister Kamp van Sociale Zaken moet gauw een betere basis kiezen voor het berekenen van de financiële positie van pensioenfondsen. Anders gaan de bonden van overheidspersoneel langdurig actie voeren. Een eerste voorbeeld daarvan volgt al op 17 februari 2011, de Dag van de Publieke Sector.

Dat kregen zo'n honderd (oudere) kaderleden van overheidsbonden te horen op een voorlichtingsbijeenkomst op woensdag 5 januari 2011 in het Nationaal Denksport Centrum (achter de Hommel in Utrecht). De meeste pensioenfondsen zijn rijker dan ooit, en toch zouden ze niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen? Deze tegenspraak volgt uit de rekenrente die ze moeten gebruiken om hun verplichtingen (de rechten op uitkeringen van de deelnemers) in een bedrag uit te rekenen. Daarmee wordt de zgn. dekkingsgraad uitgerekend (vermogen gedeeld door verplichtingen). Men acht alleen een dekkingsgraad van 105% of meer redelijk zeker; vanaf ongeveer 120% mogen de verplichtingen ook worden verhoogd, met name voor indexatie.

Hoe moet die rekenrente worden bepaald? Heel lang rekenden de fondsen met 4%, maar een paar jaar geleden wilde het Rijk een meer "marktconforme" rente, en daarvoor werd de rente gekozen die banken elkaar in rekening brengen (voor meestal kortlopende leningen). Deze interbancaire rente was redelijk stabiel in de buurt van 4%. Met de bankencrisis veranderde dat echter. De centrale banken verlaagden hun rente (om de economie te stimuleren) en ook de interbancaire rente dook omlaag, en ging sterk fluctueren (in de buurt van 3%). Daardoor moesten de fondsen plots bij dezelfde verplichtingen een veel groter vermogen hebben. Reken maar na: als U volgend jaar iemand € 100,- moet betalen, maar U kunt ergens 5% rente krijgen, dan heeft U nu maar ca € 95,- nodig; is de rente echter 2% dan is er iets meer nog: € 98,-. En bij pensioenfondsen met verplichtingen over tientallen jaren hebben kleine verschillen in rente nog veel grotere effecten.

Toen de interbancaire rente omlaag dook, stortten de dekkingsgraden van de meeste pensioenfondsen dus in. Natuurlijk had de daling van aandelenkoersen in 2009 ook een nadelig effect op de vermogens, maar die zijn eind 2010 eigenlijk al weer weggewerkt. Ook de interbancaire rente is weer iets opgetrokken, zodat de meeste fondsen dit jaar in veiliger vaarwater komen (boven 105%, maar nog te weinig voor volledige indexatie). Dat kan op elk moment door een gril in het bancaire systeem weer omslaan. Daarom blijft een schokbestendiger systeem hard nodig, betoogde Edith Snoey voorzitter van ABVAKABO, tegenover de kaderleden.

Zij wees ook op een ander effect: de op zich verblijdende stijging van de levenstijd in Nederland, naar nu lijkt elke tien jaar bijna een jaar erbij. Dat betekent echter ook hogere verplichtingen voor de pensioenfondsen. Maar daarover maakten de sociale partners in juli 2010 al een goede pensioenafspraak: elke vijf tot tien jaar wordt bezien of de spilleeftijd voor pensioen moet worden verhoogd (en wie toch eerder met pensioen wil, krijgt een evenredig lagere uitkering).

Een ander element in dit pensioenakkoord is dat de AOW welvaartsvast zou moeten worden, dus een veel hogere indexatie dan tot nu toe is toegepast. Daardoor zouden de aanvullende pensioen aan de onderkant dus ruimte krijgen. Maar de overheid zou veel meer aan de AOW moeten uitgeven. Daarvoor voelt de regering weinig, maar om de lieve vrede doet men maar het zwijgen ertoe.

Inmiddels heeft in november ook de Tweede Kamer per motie erop aangedrongen die interbancaire rente door een stabieler maatstaf te vervangen. Maar ook daarover zwijg de regering. Daarom is nu actie nodig, betoogde ook FNV-voorzitter Agnes Jongerius. Zij wees erop dat in Japan feitelijk twintig jaar stagnatie heerst, met alle renten dichtbij maar net boven 0%. Om die situatie te vermijden, moet het systeem worden aangepast.

Overigens pleitte Agnes Jongerius ervoor dat de fondsen in aandelen kunnen blijven beleggen, omdat die op lange termijn een beter rendement leveren dan (staats)obligaties en vastgoed. Zij vermoedde dat elke stijging van de (gemiddelde) leeftijd kon worden gecompenseerd met ruwweg een half jaar langer doorwerken. Hogere premies vond ze niet aantrekkelijk.

De bonden hadden ook twee Kamerleden uitgenodigd. Ed Groot (PvdA) staat achter het pensioenakkoord, maar zou wel wat meer keuzevrijheid in het pensioen willen. Bijvoorbeeld, de eerste jaren een wat hoger pensioen, en in latere jaren (met minder activiteit) een lagere uitkering. Dat zou ook interessant zijn voor mensen met minder inkomen, die (gemiddeld) jaren korter leven dan meerverdieners.

Linda Poortman (GroenLinks) pleit voor gegarandeerd pensioen-met-index voor kleinere pensioen tot 15 euro/jaar).

In de discussie kwam niet veel nieuws naar voren. Agnes Jongerius legde nog eens uit dat de zgn. "Greep uit de Kas" rond 1990 niets anders was dan een "premievakantie" (voor werkgevers en werknemers!), omdat het Rijk toen dreigde de ruime vermogens "af te romen". De versoberingen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden (van eindloon naar middenloon, inkomensafhankelijker en afschaffing nabestaandenpensioen) kwamen niet meer aan de orde.

Men kon dus naar huis in de overtuiging, dat we voor ons pensioen moeten vechten!

Wouter Koning, lid van het bestuur ABVAKABO-senioren afdeling Utrecht-West

woensdag 10 november 2010

Wat is er aan de hand met onze pensioenen?


Verslag van de themamiddag op 12 oktober 2010, ingeleid door Xander den Uyl

Er is duidelijk sprake van onrust in den lande. Veertien pensioenfondsen hebben de aanwijzing gekregen de pensioenuitkering te korten (afstempelen), omdat hun dekkingsgraad te laag is. We hebben inmiddels een rapport van de Commissie Don, waardoor druk komt vanuit de overheid. We hebben tevens een rapport van de Commissie Goudswaard, waardoor andere normen worden gesteld.

Oorzaken van de huidige situatie zijn:

· St * Stijging van de levensverwachting. Deze stijging neemt op dit moment sneller toe dan enkele jaren geleden was voorzien. Er is nu een betere zorg en er wordt minder gerookt. De verwachtingen moesten daarom worden bijgesteld. Na 2030 daalt het aandeel van de gepensioneerden in de bevolking weer.

· T * Twijfels over de financiële haalbaarheid van de huidige toezeggingen, omdat de rente erg laag is. Lage rente verhoogt de waardering van de verplichtingen: je hebt meer geld nodig, als je kunt verwachten dat het huidige geld minder rente oplevert.

Daartegenover staat, dat de beleggingen weer redelijk opbrengen en dat het feitelijk beschikbare kapitaal nooit zo hoog is geweest als op dit moment. Door het Nederlandse systeem staat Nederland er nu beter voor dan vele andere landen. Er is genoeg geld in de pot, ook voor jongeren. Het probleem ligt dan ook op dit moment niet bij het beschikbare vermogen, maar bij de toegenomen verplichtingen. De waarde van het kapitaal wordt namelijk bepaald door de zogenaamde swap-rente, d.w.z. de rente die banken aan elkaar berekenen, als men geld van elkaar leent. Deze rente wisselt vrijwel dagelijks, waardoor ook de waarde van het kapitaal vrijwel dagelijks verandert. We noemen dan de volatiliteit van de geldwaarde. Deze volatiliteit is pas kort toegenomen, omdat banken op dit moment nauwelijks van elkaar lenen. Het is wel mogelijk rentedaling af te dekken, maar dan kan je ook niet profiteren als de rente hoger wordt. De pensioenfondsen dekken daarom maar een deel van hun vermogen af.

De pensioenfondsen zijn met deze grote volatiliteit niet gelukkig. Ze zijn dan ook in discussie over een ander systeem om de rente te berekenen, namelijk uitgaan van de gemiddelde rente over een langere termijn. Ook die rente verandert, maar minder snel en wisselend. De pensioenfondsen zijn echter gebonden aan de door de regering vastgestelde regels.

Reeds eerder was de dekkingsgraad te laag. De fondsen moesten toen aangeven, hoe zij konden zorgen, dat in drie – later vijf – jaar de dekkingsgraad weer op normaal niveau zou zijn, het zogenaamde herstelplan. De feitelijke ontwikkeling ligt op dit moment echter onder de lijn, die in het herstelplan is aangegeven.

Om hier een oplossing voor te vinden hebben de vakbonden en de werkgevers een pensioenakkoord gesloten:

· 1. * De hoogte van de AOW moet worden gebaseerd op het werkelijk verdiende loon, dat hoger ligt dan het CAO-loon;

· D * De hogere levensverwachting wordt verwerkt door de AOW-leeftijd te verhogen.

· G * Gaat men toch eerder met pensioen, dan krijgt men voor ieder jaar dat men eerder met pensioen gaat een korting van 6,5%, hetgeen gedeeltelijk kan worden gecompenseerd door de hogere AOW-uitkering.

· E * Een en ander moet worden verwerkt in een ander pensioencontract. Daarvoor wordt gesproken over enkele mogelijke modellen. Daarbij geldt, dat men voor ieder jaar dat men langer leeft, 6 – 8 manden langer moet werken.

5 5 * Er komen maatregelen om de participatie van ouderen in het arbeidsproces te verhogen.

Kortom: op korte termijn moeten we de rente volgen. We zullen echter alles op alles zetten om afstempelen te voorkomen. Over het een en ander zal duidelijk voorlichting worden gegeven. Op langere termijn ontkomen we niet aan een herziening van het pensioencontract. We maken een analyse van de verdelingsrisico’s. We werken toe naar nieuwe regels voor het toetsingskader.


Woerden, 28 oktober 2010

Kees Tilanus

dinsdag 26 oktober 2010

Nederlandse pensioenfondsen rijker dan ooit

De aandelenbeurzen deden het goed in augustus. Daarom zijn de (meeste) Nederlandse pensioenfondsen rijker dan ooit. Toch zullen vele fondsen ook komend jaar geen indexatie op de pensioenen kunnen geven, en moeten sommige fondsen de pensioenen zelfs verlagen ("afstempelen"). Hoe is die vreemde situatie ontstaan?

Hierover hield Xander de Uyl (voor AbvaKabo lid van het ABP-bestuur) een inleiding na afloop van de jaarvergadering van de seniorengroep Utrecht-West (stad, Nieuwegein, Weide- & Vechtstreek tot en met Woerden) op dinsdag 12 oktober 2010. Hij herinnerde eraan dat de Nederlandse pensioenvoorzieningen na een voorzichtige aanloop vanaf de jaren twintig, vooral in de opbouwperiode na WOII zijn opgebouwd. De opbouw via gespaard kapitaal is tamelijk uniek in de wereld. In het buitenland berusten pensioenen meestal op omslagstelsels (zoals in Nederland de AOW als basispensioen). Maar de premies zijn inmiddels ca 20%. "Wij werken een dag per week voor ons pensioen". Omdat de premies worden belegd, komt er tenslotte veel meer beschikbaar voor uitkeringen dan als premie is betaald. Ruwweg bestaat het pensioen voor 1/3 uit de oorspronkelijke premie, 1/3 uit rendement tot aan het pensioen, en nog eens een derde rendement in de pensioenperiode.

De problemen van de pensioenfondsen komen voort uit twee oorzaken:

(1) de snel stijgende levensverwachting in Nederland, en

(2) de dekkingsgraad, - en vooral de manier waarop die moet worden berekend.

Het is mooi als pensioengerechtigden langer leven (dan eerder was aangenomen) maar er moet dan wel geld voor pensioenen beschikbaar zijn. In korte tijd is de levensverwachting (op grond van feitelijke sterftecijfers) met ca vier jaar gestegen; mannen beginnen vrouwen zelfs enigszins in te lopen. Het ABP heeft hiervoor (op ca 200 miljard vermogen) dit jaar al 11 miljard gereserveerd, en eind dit jaar volgt nog zo'n bedrag, vertelde Den Uyl.

De dekkingsgraad wordt berekend door het vermogen (onroerend goed, aandelen en obligaties e.d. tegen dagwaarde) gedeeld door de uitstaande verplichtingen (zowel voor de werkenden die hun pensioen nog opbouwen als voor de pensioentrekkers). Als het vermogen duidelijk groter is dan de verplichtingen is die dekkingsgraad dus hoger dan 1, en is het pensioenfonds gezond. Vanaf dekkingsgraden van ca 1,2 of meer kan het pensioen ook worden geïndexeerd. Een lage dekkingsgraad (dus minder dan 1) duidt erop dat het fonds eigenlijk te weinig vermogen heeft voor de verplichtingen, en dan zit het fonds in de problemen.

Het echte probleem is echter hoe die verplichtingen (die zich over vele jaren uitstrekken) worden teruggerekend naar de actuele situatie.

Den Uyl gaf nog maar eens het voorbeeld dat hij iemand over een jaar E 100 zou moeten betalen. Als hij ergens 5% rente zou kunnen krijgen, hoeft hij nu maar E 95 apart te zetten. Maar als de rente maar 2% is, moet hij veel meer apart zetten (E 98). Dus met een lage rente lijken de toekomstige verplichtingen plots veel hoger! (Doet U zelf even het sommetje over twintig jaar? Dat is aardige schatting voor pensioenverplichtingen).

Tot aan de vorige "internet"-crisis van 2001/2 rekenden de meeste fondsen met 4% als rekenrente. In feite maakte het ABP de laatste jaren weer een rendement van 6 tot 7 % (mede omdat de aandelenbeurzen uit de put kropen). Maar financiële specialisten vonden dat die rekenrente op een of andere manier aan de werkelijkheid moest worden ontleend. Het werd de zgn. SWAP-rente, of interbancaire rente, omdat het de rente betreft waartegen banken geld aan elkaar lenen. Indertijd, in 2004, leek het een stabiele rente, zodat de pensioenfondsen geen bezwaar maakten.

Na de financiële crisis van 2008 probeerden alle landen, en ook de centrale banken, om de economie te stimuleren met uiterst lage renten. Ook de SWAP-rente daalde sterk, en varieerde bovendien nog fors van dag tot dag. En zo stortten ook de dekkingsgraden van de meeste fondsen in, tot vaak in de buurt van 0,9. Dus niet omdat de aandelenkoersen gezakt zijn (want die zijn inmiddels alweer aardig hersteld), of omdat het feitelijk rendement op het vermogen tegen zit, maar louter omdat de actuele verplichtingen berekend worden met een wispelturige bankrente die geen enkele relatie meer heeft met de rendementen die de fondsen de komende jaren kunnen maken.

Volgens de recente pensioenwet bepaalt de minister (van Sociale Zaken) welke rekenrente de pensioenfondsen moeten gebruiken. Het lijkt erop dat minister Donner de fondsen nog wat langer op de pijnbank wilde leggen. Sommige fondsen zouden de pensioenen al moeten verlagen. Maar bv het grote FME (metaal & electro) weigert dat. Misschien kan de nieuwe minister Kamp zijn ambtenaren een geschikter rekenrente laten uitzoeken, maar wellicht wacht hij daarmee nog even totdat de sociale partners "een nieuw pensioencontract" hebben uitgewerkt (waarin o.a. in die stijgende levensverwachting wordt voorzien, door een ook geleidelijk verder stijgende pensioenleeftijd).

In dat nieuwe contract zou ook komen te staan dat deelnemers in een pensioenfonds nergens op kunnen rekenen. Maar dat is niets nieuws. Ook in het huidige systeem zijn de pensioenbedragen, en zeker niet de indexering gegarandeerd. Sterker, slechts enkele bedrijven waren bereid tekorten in hun eigen bedrijfsfonds aan te vullen. Die garanties gaan nu ook vervallen. En de overheid blijkt niet bereid de miljarden die in de jaren tachtig zijn onttrokken aan ABP en anderen nu nog eens te compenseren. Het streven naar een vast pensioen, liefst met indexatie, blijft bestaan, maar zekerheid ontbreekt nu echt!

Wouter Koning, Utrecht 14-10-2010

dinsdag 27 juli 2010

De maatschappelijke kracht van Welzijn ouderen

Iedereen wil oud worden, maar niemand wil oud zijn.Wanneer het ons overkomt dat we door verlies van gezondheid, dierbaren of inkomen niet langer zonder hulp ons leven kunnen organiseren, gaan er grote vragen spelen. Wie zorgt er voor ons? Hoe wordt het welzijn van de meest kwetsbaren onder ons gegarandeerd? En hoe kunnen we elkaar versterken? Welke hulp is er straks nodig? De noodzaak van passende professionele inzet is nog nooit zo groot geweest.

De complexiteit van het werk neemt toe. Multimorbiditeit en chronische aandoeningen komen steeds vaker voor. Er zijn enorme onderlinge verschillen tussen ouderen. De leeftijd waarop men zich ‘oudere’ voelt stijgt, maar varieert tegelijkertijd. Bovendien zijn er ook jongere mensen met een functiebeperking of chronische ziekte. De zorgkosten rijzen de pan uit, terwijl voor welzijn te weinig oog is. Welzijn ouderen beschikt over een integrale visie en ingrediënten voor de toekomst. Erkenning van de noodzaak tot vernieuwing, koersverandering en verdere professionalisering van de kracht van welzijn ouderen zal niet voldoende zijn. Zonder investeringen bestaat het risico dat het kind (veertig jaar ervaring) met het badwater (welzijn als brede, onduidelijke, bekritiseerde werksoort) wordt weggegooid.

Welzijn ouderen is van oudsher gericht op mensen. Hoe eenvoudig dat ook klinkt, het betekent wel iets. Welzijn is niet gericht op het belang van de eigen organisatie, winst of concurrentie. Als dat wel zo zou zijn, of als de overheid dat zou stimuleren, geeft dat niet alleen frictie in de doelstelling, maar zou het vrijwilligers ook afschrikken. Ook zou dat hulpvragers in twijfel brengen en netwerken doen uiteenvallen. De burger als hulpvrager of mantelzorger hoort centraal te staan. Bij welzijn ouderen is dat volgens mij altijd zo geweest. Of iemand nu problemen heeft, in beweging wil blijven, zijn sociale netwerk wil uitbreiden of de zorg voor zijn partner niet meer aankan. De focus ligt, ook van oudsher, op versterken, herstellen of compenseren van de zelfredzaamheid van mensen. Daartoe zijn er vele diensten, interventies en ontmoetingsmogelijkheden, die met elkaar te verbinden zijn.

Zo kan een vrijwilliger van Tafeltje-dek-je een oudere wijzen op de mogelijkheid van de Boodschappenplusbus om weer zelf inkopen te kunnen doen, wetende dat deze dienst gericht is op het stimuleren van sociaal contact. Bij het welzijnswerk ontmoeten ouderen elkaar en wordt het ook opgemerkt als het minder goed gaat. Rechtstreeks of via verwijzers kan een cliënt-/ouderenadviseur worden ingeschakeld om te checken of er iets nodig is, een passend traject te starten en te informeren hoe het met mantelzorgers gaat. Zo kan het zijn dat de partner naar de Beweegwinkel wordt verwezen en de deelnemer naar de huisarts of de ouderenpoli. Ook mogelijk is dat de partner enkele dagdelen per week wordt ontlast door dagverzorging in te schakelen. Kinderen die ver weg wonen, komen weer in beeld als een oudere naar het computercafé gaat om met hulp van vrijwilligers te e-mailen.

Recente ontwikkelingen binnen welzijn ouderen stellen de burger niet alleen centraal als hulpvrager of mantelzorger, maar ook als initiatiefnemer en zichzelf ontwikkelende vrijwilliger. Voorbeelden zijn te vinden binnen de projecten ‘actief ouder’ van het Oranje Fonds. De expertise in solidariteit van ouderen die iets voor anderen willen betekenen, is niet nieuw. Welzijn ouderen ontwikkelt zich met de hulp van fondsen, opdat zij nieuwe generaties ouderen met andere leefstijlen van dienst kan zijn.
Om welzijn van mensen te versterken, is maatwerk nodig. Dat begint met goed luisteren, kijken en doorvragen. Ook dat is niet nieuw. In de toekomst zal de expertise in het werken met cliënten, vrijwilligers en mantelzorgers nog sterker moeten worden gecombineerd met de expertise in het verbinden van mensen. De uitdaging is om meer te focussen op de kracht van netwerken. De mens staat centraal, maar nu met zijn of haar netwerk.

De sector werkt ook aan een meer ondersteunende dan organiserende houding van de professional. Hoe zelfstandig een groep senioren ook is, op iedere locatie worden groepsprocessen ondersteund en afspraken gemaakt. Ruimte, vertrouwen en verantwoordelijkheid geven is niet genoeg. Van professionals wordt veel gevraagd. Zelfstandigheid respecteren, versterken, herstellen of ondervangen is een vak. Ook vroegsignalering en onafhankelijk advies is een kunst. De wens om samen te werken met wijkbewoners – zelf vrijwilligers - en ouderenorganisaties is er, net als de wens om goed op de hoogte te zijn van het aanbod van alle partners op het gebied van welzijn, zorg, wonen, educatie, gezondheidsvoorlichting, financiële dienstverlening, eerstelijnszorg en meer. De lijst wordt steeds langer. Denk maar aan samenwerking met commerciële bedrijven (sponsoring, maatschappelijk ondernemen) en scholen (maatschappelijke stages). Daar bovenop zijn er steeds meer verzoeken van re-integratiebureaus voor vrijwilligerswerk voor hun klanten. Hiervoor krijgen welzijnsorganisaties overigens, net als voor maatschappelijke stages, nog geen begeleidingsuren vergoed.

Gezond gedrag, maatschappelijke inzet, zelfredzaamheid, preventie van (dure) zorg of eenzaamheid wordt met succes, in samenwerking gestimuleerd. Er wordt opgespoord wat iemand nodig heeft en welke keuzemogelijkheden er zijn. Huisbezoeken door professionals en vrijwilligers, een bezoekdienst voor en door weduwen en weduwnaars, bewegingsaanbod, ondersteuning voor zilveren kracht, het is er allemaal. Niet als los zand, maar als onderdelen van iets groters. Een mooi uitgangspunt, gebouwd op degelijke fundamenten voor de meest kwetsbare ouderen, maar geschikt voor vernieuwing, uitbreiding, professionalisering en preventie van al te grote kwetsbaarheid.


Bron: Zorg & Welzijn 26 juli 2010