Minister Kamp van Sociale Zaken moet gauw een betere basis kiezen voor het berekenen van de financiële positie van pensioenfondsen. Anders gaan de bonden van overheidspersoneel langdurig actie voeren. Een eerste voorbeeld daarvan volgt al op 17 februari 2011, de Dag van de Publieke Sector.
Dat kregen zo'n honderd (oudere) kaderleden van overheidsbonden te horen op een voorlichtingsbijeenkomst op woensdag 5 januari 2011 in het Nationaal Denksport Centrum (achter de Hommel in Utrecht). De meeste pensioenfondsen zijn rijker dan ooit, en toch zouden ze niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen? Deze tegenspraak volgt uit de rekenrente die ze moeten gebruiken om hun verplichtingen (de rechten op uitkeringen van de deelnemers) in een bedrag uit te rekenen. Daarmee wordt de zgn. dekkingsgraad uitgerekend (vermogen gedeeld door verplichtingen). Men acht alleen een dekkingsgraad van 105% of meer redelijk zeker; vanaf ongeveer 120% mogen de verplichtingen ook worden verhoogd, met name voor indexatie.
Hoe moet die rekenrente worden bepaald? Heel lang rekenden de fondsen met 4%, maar een paar jaar geleden wilde het Rijk een meer "marktconforme" rente, en daarvoor werd de rente gekozen die banken elkaar in rekening brengen (voor meestal kortlopende leningen). Deze interbancaire rente was redelijk stabiel in de buurt van 4%. Met de bankencrisis veranderde dat echter. De centrale banken verlaagden hun rente (om de economie te stimuleren) en ook de interbancaire rente dook omlaag, en ging sterk fluctueren (in de buurt van 3%). Daardoor moesten de fondsen plots bij dezelfde verplichtingen een veel groter vermogen hebben. Reken maar na: als U volgend jaar iemand € 100,- moet betalen, maar U kunt ergens 5% rente krijgen, dan heeft U nu maar ca € 95,- nodig; is de rente echter 2% dan is er iets meer nog: € 98,-. En bij pensioenfondsen met verplichtingen over tientallen jaren hebben kleine verschillen in rente nog veel grotere effecten.
Toen de interbancaire rente omlaag dook, stortten de dekkingsgraden van de meeste pensioenfondsen dus in. Natuurlijk had de daling van aandelenkoersen in 2009 ook een nadelig effect op de vermogens, maar die zijn eind 2010 eigenlijk al weer weggewerkt. Ook de interbancaire rente is weer iets opgetrokken, zodat de meeste fondsen dit jaar in veiliger vaarwater komen (boven 105%, maar nog te weinig voor volledige indexatie). Dat kan op elk moment door een gril in het bancaire systeem weer omslaan. Daarom blijft een schokbestendiger systeem hard nodig, betoogde Edith Snoey voorzitter van ABVAKABO, tegenover de kaderleden.
Zij wees ook op een ander effect: de op zich verblijdende stijging van de levenstijd in Nederland, naar nu lijkt elke tien jaar bijna een jaar erbij. Dat betekent echter ook hogere verplichtingen voor de pensioenfondsen. Maar daarover maakten de sociale partners in juli 2010 al een goede pensioenafspraak: elke vijf tot tien jaar wordt bezien of de spilleeftijd voor pensioen moet worden verhoogd (en wie toch eerder met pensioen wil, krijgt een evenredig lagere uitkering).
Een ander element in dit pensioenakkoord is dat de AOW welvaartsvast zou moeten worden, dus een veel hogere indexatie dan tot nu toe is toegepast. Daardoor zouden de aanvullende pensioen aan de onderkant dus ruimte krijgen. Maar de overheid zou veel meer aan de AOW moeten uitgeven. Daarvoor voelt de regering weinig, maar om de lieve vrede doet men maar het zwijgen ertoe.
Inmiddels heeft in november ook de Tweede Kamer per motie erop aangedrongen die interbancaire rente door een stabieler maatstaf te vervangen. Maar ook daarover zwijg de regering. Daarom is nu actie nodig, betoogde ook FNV-voorzitter Agnes Jongerius. Zij wees erop dat in Japan feitelijk twintig jaar stagnatie heerst, met alle renten dichtbij maar net boven 0%. Om die situatie te vermijden, moet het systeem worden aangepast.
Overigens pleitte Agnes Jongerius ervoor dat de fondsen in aandelen kunnen blijven beleggen, omdat die op lange termijn een beter rendement leveren dan (staats)obligaties en vastgoed. Zij vermoedde dat elke stijging van de (gemiddelde) leeftijd kon worden gecompenseerd met ruwweg een half jaar langer doorwerken. Hogere premies vond ze niet aantrekkelijk.
De bonden hadden ook twee Kamerleden uitgenodigd. Ed Groot (PvdA) staat achter het pensioenakkoord, maar zou wel wat meer keuzevrijheid in het pensioen willen. Bijvoorbeeld, de eerste jaren een wat hoger pensioen, en in latere jaren (met minder activiteit) een lagere uitkering. Dat zou ook interessant zijn voor mensen met minder inkomen, die (gemiddeld) jaren korter leven dan meerverdieners.
Linda Poortman (GroenLinks) pleit voor gegarandeerd pensioen-met-index voor kleinere pensioen tot 15 euro/jaar).
In de discussie kwam niet veel nieuws naar voren. Agnes Jongerius legde nog eens uit dat de zgn. "Greep uit de Kas" rond 1990 niets anders was dan een "premievakantie" (voor werkgevers en werknemers!), omdat het Rijk toen dreigde de ruime vermogens "af te romen". De versoberingen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden (van eindloon naar middenloon, inkomensafhankelijker en afschaffing nabestaandenpensioen) kwamen niet meer aan de orde.
Men kon dus naar huis in de overtuiging, dat we voor ons pensioen moeten vechten!
Wouter Koning, lid van het bestuur ABVAKABO-senioren afdeling Utrecht-West
