Inleiding door Albert Vink, lid dagelijks bestuur van het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn en van het Pensioenfonds voor de Sociale Werkvoorziening op 18
november 2013
Met
betrekking tot de pensioenen spelen de volgende zaken:
Witteveen 1
Er zijn
reeds wijzigingen aangebracht in de opbouw van pensioenen. De maximale
belastingvrije opbouw is al verlaagd van 2,25% naar 2,15%. Tevens gaat men uit
van een hoge franchise – het bedrag waarover men geen premie betaalt, omdat men
AOW ontvangt – van € 10.940.
Alle
prognoses wijzen erop, dat de mensen steeds langer blijven leven. De pensioenen
moeten langer worden doorbetaald. Een en
ander wordt berekend via de LAM (Leeftjds-Aanpassings-Mechanisme). De leeftijd,
waarop men AOW ontvangt, wordt geleidelijk verhoogd van 65 naar 67 jaar. De
pensioenen volgen dit door reeds nu de rekenleeftijd te plaatsen op 67 jaar.
Men kan vanaf 60 jaar met pensioen gaan, maar moet dan wel de tijd tot de AOW
zelf overbruggen. Op den duur zullen we werknemers nodig hebben, onder meer in
de zorg, het onderwijs, e.d. Op dit moment worden mensen echter ontslagen,
waardoor de overgang naar de AOW-leeftijd problematisch is.
Witteveen II
Er ligt
nu een voorstel om de maximale belastingvrije opbouw verder te verlagen naar
1,75%, eventueel zelfs naar 1,55% en de bovengrens te plaatsen op € 100.000. Premie
voor een inkomen boven dat bedrag is dan niet meer belastingvrij. Dit is in de
Eerste Kamer tegengehouden en is nu opnieuw in discussie met de
oppositiepartijen. Doel is 3 miljard vrij te spelen. Aan de orde is de hoogte
van de maximale belastingvrije opbouw. Er wordt onder meer gesproken over
1,85%. Het is de vraag, of je als jongere voldoende pensioen kunt opbouwen.
Volgens ons heb je daar een opbouw van minstens 2,0% voor nodig. Tevens wordt
gesproken over de bovengrens. Er wordt nu onder meer gesproken over € 65.000.
Waar het op uitkomt is op dit moment nog niet te zeggen.
Financieel Toetsingskader (FTK)
In het
verleden is voorgespiegeld, dat men na 40 dienstjaren een pensioen krijgt van
70% van het eindsalaris. Onvoldoende is daarbij tot uiting gebracht, dat deze
toezegging voorwaardelijk was. “We doen niet, wat we beloven”. Inmiddels is het
eindloon bij verreweg de meeste pensioenfondsen omgezet in middelloon om de
topinkomens niet onevenredig de pensioenen te doen belasten..
Tevens
is niet tot uiting gebracht, dat de ambitie is te indexeren, maar dat dit
afhangt van de wettelijke positie van het fonds.
Men is
nu bezig een nieuwe pensioenwet op te stellen. In de voorbereiding ging men
aanvankelijk uit van een keuze tussen twee soorten contracten: een nominaal
contract, dat uitgaat van 97,5% zekerheid, of een reëel contract, waarin de
indexatie-ambitie is verwerkt. In het reële contract kan men mee- en
tegenvallers uitsmeren over 10 jaar. Dat geeft een grotere waarschijnlijkheid
op indexatie.
Op dit
moment spreekt men over één tussenvariant tussen het nominale en het reële
contract. Er liggen nu vijf tussenmodellen op tafel, waarvan er drie een
redelijke kans maken. Het Ministerie van Sociale Zaken en de Nederlandse Bank
gaan primair uit van het nominale contract, zeer tegen de wens van de grotere
pensioenfondsen. Hangende de discussie mogen de pensioenfondsen hun winsten op
dit moment niet uitkeren. Korting wordt echter ook slechts beperkt toegestaan. Bij
berekening van de dekkingsgraad mag men in de nieuwe wet mede uitgaan van de
rendementen, maar het is nog niet duidelijk voor hoeveel.
De Wet
zal waarschijnlijk pas in januari worden voorgelegd ter behandeling in het
Parlement. Aangezien de pensioenfondsen een klein jaar nodig hebben om alles
voor te bereiden, is het nog onduidelijk of de Wet per 1 januari 2015 in
werking kan treden.
Governance
Het
betreft hier regels m.b.t. bestuur, toezicht en medezeggenschap. De Wet
versterking pensioenfonds is al effectief. Pensioenfondsen moeten meer
deskundigheid aantrekken m.b.t. beleggingen en risicomanagement. Kleine fondsen
huren deze deskundigheid in; grotere pensioenfondsen nemen deze deskundigheid
op in het bestuur. Daarnaast houden grotere fondsen ook externe beursspecialisten.
Komende
bestuursleden moeten goedgekeurd worden door de Nederlandse Bank. Deze houdt er
een zware toetsing op na. Feitelijk ziet ze node vakbondsbestuurders in het
bestuur van een pensioenfonds en wil men meer externe deskundigen.
De wet
verplicht per 1 juli gepensioneerden op te nemen in het bestuur. Het aantal is
afhankelijk van het percentage gepensioneerden in het fonds. Voor PFZW is het
één gepensioneerde; voor ABP zijn het er twee. Ook deze bestuursleden krijgen
dezelfde strenge toetsing door de Nederlandse Bank.
Feitelijk
loopt het aantal pensioenfondsen terug vanwege de hoge eisen en de daarmee
gepaard gaande kosten.
De Wet
kent vijf bestuursmodellen. Deze worden gekenmerkt door de plaats, die externe
deskundigen innemen in het bestuur. Enerzijds heb je een zuiver paritair
bestuur, bestaande uit werkgevers en werknemers. Daarbij is een Raad van
Toezicht met externe deskundigen vereist. Anderzijds heb je een zuiver extern
bestuur. PFZW en ABP kiezen voor een paritair bestuur.
De
medezeggenschap wordt geregeld in een verantwoordingsorgaan.
Rekenrente
De
rekenrente bepaalt de voorspelling, wat een bepaalde inleg gaat opbrengen
voordat het wordt uitbetaald. Deze voorspelling wordt enerzijds bepaald door de
duur van de beleggingen en anderzijds door de hoogte van de rente, die de
beleggingen opbrengen.
Wat
betreft de duur, kunnen we stellen, dat premie die door jongeren wordt
opgebracht meer opbrengt dan premie die door ouderen wordt opgebracht.
Feitelijk betalen jongeren evenveel premie als ouderen. Jongeren betalen
daardoor te veel en ouderen te weinig. De omslag ligt ongeveer bij de leeftijd
van 43 jaar. Dit zou men kunnen opvangen door de opbouw bij jongeren hoger te
waarderen dan bij ouderen.
Wat
betreft de verwachte rente, is men nu verplicht uit te gaan van de zogenaamde
rekenrente. Deze rekenrente is de actuele marktrente. Deze is laag, omdat de
Centrale Banken deze marktrente bewust laag houden. Dat heeft een negatieve
invloed op het dekkingspercentage. Men heeft namelijk een hoger kapitaal nodig,
als men ervan moet uitgaan, dat dit kapitaal minder zal opbrengen. Het probleem
zit hem niet in een verkeerd beleggingsbeleid, maar in de lage rekenrente. In
2008 hadden we een veel minder vermogen, maar konden we rekenen met een
rekenrente van 4,5%. Daardoor was de dekkingsgraad hoog. In 2013 hebben we een
veel groter vermogen, maar mogen we slechts rekenen met een rekenrente van
2,5%. Nu is de dekkingsgraad laag.
De
pensioenfondsen willen een stabiele rekenrente en niet afhankelijk zijn van de
marktrente. Er is reeds enige soelaas gegeven, omdat pensioenfondsen ervan
mogen uitgaan, dat de rekenrente in de loop der jaren zal groeien naar 4,2. We
noemen dat de UFR. Op dit moment is een club van wijze mensen van de Sociaal
Economische Raad bezig dit cijfer te herzien. Men wil de feitelijke rendementen
meewegen. De laatste gegevens wijzen erop, dat men uit kan gaan van een
rekenrente van 3,9. Overigens heeft de Nederlandse Bank zich hierbij
teruggetrokken.
De
dekkingsgraden zijn de laatste tijd weer gegroeid. Het ABP wil eerst de korting
terugdraaien; het PFZW zal waarschijnlijk gedeeltelijk indexeren. De beslissing
valt echter op basis van de stand van zaken op 31 december.
Vertrouwen
Omdat
indexeren langere tijd afwezig is gebleven en sommige fondsen hebben moeten
korten, is het vertrouwen in pensioenfondsen sterk gedaald. De publicaties in
de media hebben daar evenmin goed aan gedaan. De deskundigheid van Kamerleden
is ook niet altijd even hoog. Zij zijn niet getoetst door de Nederlandse Bank.
Er is ook
een negatieve discussie tussen jong en oud. Indexeren zou slecht zijn voor
jongeren. Feitelijk heeft indexeren ook invloed op op te bouwen rechten en is
daarom net zo goed voor jongeren, Oppotten zou goed zijn voor jongeren en
slecht voor ouderen. Het feitelijk beschikbare kapitaal is echter ruim
voldoende voor jong en oud.
Oranje investeringen
Men
hoort vaak de roep, dat pensioenfondsen in Nederland moeten investeren. De
pensioenfondsen zijn daartoe best bereid, maar alleen als het goed rendeert en
investeringen een minimale omvang hebben. Echter ook banken zijn wel bereid te
investeren in goed rendabele projecten. Twee werkgroepen maken op dit moment
studie van de vraag, of we in Nederland kunnen investeren. De ene maakt studie
van hypotheken; de andere in investeringen in duurzame projecten, infrastructuur en zorg. Zouden we een
evenredig aandeel investeren in Nederland, dan zouden we daar 5% investeren.
Feitelijk investeren we daar 8%.
We
investeren over de hele wereld, zoals in fondsen, bedrijven, goederen,
grondstoffen, e.d. Een aantal zaken hebben we uitgesloten, zoals clusterbommen,
tabak, e.d. Geld gaat niet naar het buitenland, want we krijgen er veel meer
voor terug. Men heeft wel kritiek op het beleggingsbeleid. Zo zou men te veel
beleggen in risicovolle landen. Feitelijk hebben staatsobligaties in
Griekenland veel opgebracht, maar PGGM heeft zich daaruit grotendeels
teruggetrokken, omdat het risico te groot was.
In 2008
hebben we 20% verloren. Nu hebben we betere rendementen. We beleggen bij PFZW
30% in vastrentende waarden (onder meer obligaties) en 70% in zakelijke waarden
(aandelen). Een deel van de beleggingen is onderwerp voor rente-afdekking. Dat
kan echter verkeerd uitvallen, zoals blijkt bij de pensioenfondsen metaal.
PGGM is
gedeeltelijk afhankelijk van de deskundigheid van externe beleggers. Men
verleent slechts een bonus, als een belegger gedurende 8 jaar bovennormale
winst heeft behaald. In feite is dat een pervers systeem, maar anders kan men
de deskundigen niet aantrekken.
Verplichtstelling
Op dit
moment is men verplicht pensioen op te bouwen bij het pensioenfonds, waartoe de
werkgever behoort. Ook dat staat ter discussie. Vooral jongeren willen
zelfstandig beleggen. Juist door de verplichtstelling kunnen pensioenfondsen echter
een beter beleggingsbeleid voeren. Daardoor kan men veel meer uitbetalen dan is
ingelegd. Men krijgt ongeveer vier keer zoveel als men heeft ingelegd.