donderdag 20 november 2014

HUIDIGE ONTWIKKELINGEN VAN ONS PENSIOENSTELSEL

 Inleiding door Chris Driessen, bestuurder van FNV, op 28 oktober 2014.

Vooruitzichten in 2015
Er is sprake van een aarzelend economisch herstel. De ergste bezuinigingen zijn waarschijnlijk voorbij. De crisis kwam in Nederland harder aan dan in andere landen. Enerzijds de dip in de huizenmarkt; anderzijds de korting op de pensioenen. We krabbelen langzamerhand op naar een gemiddelde. Het toppunt van de werkloosheid is bereikt, maar het duurt nog jaren voordat we in de oude situatie terug zijn,De koopkracht stijgt nu enigszins, maar dat geldt eigenlijk niet voor de gepensioneerden. Zij krijgen geen indexatie. Overigens is er nu nauwelijks sprake van een inflatie. We zitten vrijwel in een deflatie. De prijzen van woningen – zowel in de huursector als in de koopsector – gaan wel omhoog.
Bezuinigingen in de zorg komen grotendeels neer bij de ouderen. De kosten in de zorg zijn sterk gestegen. Sinds 2002 is de zorg verbeterd. Tevens worden we steeds ouder.
Opmerking uit de zaal
De zorgverzekeraars zijn schatrijk, maar toch gaan de premies omhoog. Er is marktwerking in de zorg.
Driessen
Reserves zijn noodzakelijk, maar ook de kosten zijn de laatste twee jaar sterk gestegen. Misschien is het mogelijk de premies te dempen. Ik ga daar echter niet over. Nodig daarvoor van de Velde uit.
De woningcorporaties zijn aangeslagen voor 1,8 miljard, maar kunnen daarvoor de huren verhogen, met name voor de hogere inkomens. Met name in de Randstad zijn de huren erg laag. Ondanks verzet van de vakbond en de woonbond zijn corporaties vrij de huren te verhogen tot een bepaald maximum. Een categorie mensen heeft een hogere hypotheek dan de waarde van hun huis, omdat deze waarde sterk is gedaald behalve in Utrecht, Amsterdam, Den Bosch en Eindhoven.

Nieuwe pensioenwet
In 2010 is er een nominale uitkeringsovereenkomst gesloten, maar dat tastte de indexatie niet aan. Het draait om het rendement, want het geld komt voor 25% uit de premies en voor 75% uit de beleggingen. De dip in 2008 was in 2010 al weer grotendeels ingelopen.
In de nieuwe wet zijn de schotten sterk verhoogd. Men kan pas volledig indexeren, als men een buffer heeft van 130%. Komt men in onderdekking, dan kan men kortingen uitspreiden over 10 jaar. De vereiste dekkingsgraad is echter verhoogd. Daardoor duurt de opbouw langer en in die tijd kan men niet indexeren.
Tevens is de pensioenopbouw verlaagd naar 1,785. Daar komen de eisen van de nieuwe wet overheen. Er is nu wel een nominale wet, maar deze tast de indexatie wél aan.
Bij een lage conjunctuur houdt men vast aan een lage rente. Op dit moment wordt er zelfs gesproken over een negatieve rente, d.w.z. als een  bank een kapitaal wil deponeren bij een andere bank betaalt men daarvoor een zekere rente. De wet verplicht pensioenfondsen in de verwachting voor de toekomst uit te gaan van de huidige rente, onafhankelijk van bereikte rendementen. Bij een normale conjunctuur zou men uit kunnen gaan van ongeveer 4%, maar de huidige rekenrente is duidelijk lager. Onder invloed van Brussel is de rente nog verder gezakt. Elk procent lagere rente scheelt ongeveer 16% in de dekkingsgraad. Tevens blijven vooral de ouderen langer leven en ook dat scheelt 15% in de dekkingsgraad.
Pensioenfondsen hebben een deel van de rente afgedekt, d.w.z. als de rente laag is, krijgt men toch een afgesproken rente (rentederivaten). Dit wordt afgedekt via de woningbouwverenigingen. Daar die geld moeten lenen, zijn zij gebaat bij een lagere rente.. De vraag naar rentederivaten is echter hoger dan het aanbod.
Brussel heeft enige correctie ingevoerd op de renteverwachting door het UFR. Op basis daarvan mag men ervan uitgaan, dat de rente langzaam stijgt naar 4% in 20 jaar. Dit percentage is echter onlangs verlaagd naar 3,6%. Ook dat heeft invloed op de dekkingsgraden. Verzekeringen mogen uitgaan van een hoger percentage, maar dat wordt volgend jaar opnieuw vastgesteld. Er ligt nu een toezegging, dat het percentage van pensioenfondsen zal worden aangepast aan dat van de verzekeraars.
In feite is de verwachting naar de toekomst uit de lucht gegrepen. De SER pleit ervoor een macrostabiele discontovoet aan te houden, die is gebaseerd op de rendementen. Dit mag men echter wel aanhouden bij de berekening van de kostendekkende premie, maar niet bij de berekening van de dekkingsgraad. Wij zouden bij dit laatste ook willen uitgaan van de rendementen. Vele jongeren vrezen echter, dat dit ten koste zal gaan van hun latere pensioen. De politiek vreest de goodwill van de jongeren. Niet indexeren treft echter zowel de directe uitbetaling aan senioren als de pensioenopbouw van jongeren.

ABP-akkoord
Bij de ABP is de opbouw nog lager, maar ook de franchise, d.w.z. dat deel van het salaris waarover men geen premie betaalt,  omdat dat is afgedekt door de AOW. Men betaalt dus over een groter deel van het salaris premie en bouwt dus over een groter deel pensioen op. Dit is met name van belang voor de lagere inkomensgroepen.
Er is geen akkoord over de indexatie.

Woerden, 4 november 2014 

Kees Tilanus

Geen opmerkingen:

Een reactie posten