dinsdag 26 oktober 2010

Nederlandse pensioenfondsen rijker dan ooit

De aandelenbeurzen deden het goed in augustus. Daarom zijn de (meeste) Nederlandse pensioenfondsen rijker dan ooit. Toch zullen vele fondsen ook komend jaar geen indexatie op de pensioenen kunnen geven, en moeten sommige fondsen de pensioenen zelfs verlagen ("afstempelen"). Hoe is die vreemde situatie ontstaan?

Hierover hield Xander de Uyl (voor AbvaKabo lid van het ABP-bestuur) een inleiding na afloop van de jaarvergadering van de seniorengroep Utrecht-West (stad, Nieuwegein, Weide- & Vechtstreek tot en met Woerden) op dinsdag 12 oktober 2010. Hij herinnerde eraan dat de Nederlandse pensioenvoorzieningen na een voorzichtige aanloop vanaf de jaren twintig, vooral in de opbouwperiode na WOII zijn opgebouwd. De opbouw via gespaard kapitaal is tamelijk uniek in de wereld. In het buitenland berusten pensioenen meestal op omslagstelsels (zoals in Nederland de AOW als basispensioen). Maar de premies zijn inmiddels ca 20%. "Wij werken een dag per week voor ons pensioen". Omdat de premies worden belegd, komt er tenslotte veel meer beschikbaar voor uitkeringen dan als premie is betaald. Ruwweg bestaat het pensioen voor 1/3 uit de oorspronkelijke premie, 1/3 uit rendement tot aan het pensioen, en nog eens een derde rendement in de pensioenperiode.

De problemen van de pensioenfondsen komen voort uit twee oorzaken:

(1) de snel stijgende levensverwachting in Nederland, en

(2) de dekkingsgraad, - en vooral de manier waarop die moet worden berekend.

Het is mooi als pensioengerechtigden langer leven (dan eerder was aangenomen) maar er moet dan wel geld voor pensioenen beschikbaar zijn. In korte tijd is de levensverwachting (op grond van feitelijke sterftecijfers) met ca vier jaar gestegen; mannen beginnen vrouwen zelfs enigszins in te lopen. Het ABP heeft hiervoor (op ca 200 miljard vermogen) dit jaar al 11 miljard gereserveerd, en eind dit jaar volgt nog zo'n bedrag, vertelde Den Uyl.

De dekkingsgraad wordt berekend door het vermogen (onroerend goed, aandelen en obligaties e.d. tegen dagwaarde) gedeeld door de uitstaande verplichtingen (zowel voor de werkenden die hun pensioen nog opbouwen als voor de pensioentrekkers). Als het vermogen duidelijk groter is dan de verplichtingen is die dekkingsgraad dus hoger dan 1, en is het pensioenfonds gezond. Vanaf dekkingsgraden van ca 1,2 of meer kan het pensioen ook worden geïndexeerd. Een lage dekkingsgraad (dus minder dan 1) duidt erop dat het fonds eigenlijk te weinig vermogen heeft voor de verplichtingen, en dan zit het fonds in de problemen.

Het echte probleem is echter hoe die verplichtingen (die zich over vele jaren uitstrekken) worden teruggerekend naar de actuele situatie.

Den Uyl gaf nog maar eens het voorbeeld dat hij iemand over een jaar E 100 zou moeten betalen. Als hij ergens 5% rente zou kunnen krijgen, hoeft hij nu maar E 95 apart te zetten. Maar als de rente maar 2% is, moet hij veel meer apart zetten (E 98). Dus met een lage rente lijken de toekomstige verplichtingen plots veel hoger! (Doet U zelf even het sommetje over twintig jaar? Dat is aardige schatting voor pensioenverplichtingen).

Tot aan de vorige "internet"-crisis van 2001/2 rekenden de meeste fondsen met 4% als rekenrente. In feite maakte het ABP de laatste jaren weer een rendement van 6 tot 7 % (mede omdat de aandelenbeurzen uit de put kropen). Maar financiële specialisten vonden dat die rekenrente op een of andere manier aan de werkelijkheid moest worden ontleend. Het werd de zgn. SWAP-rente, of interbancaire rente, omdat het de rente betreft waartegen banken geld aan elkaar lenen. Indertijd, in 2004, leek het een stabiele rente, zodat de pensioenfondsen geen bezwaar maakten.

Na de financiële crisis van 2008 probeerden alle landen, en ook de centrale banken, om de economie te stimuleren met uiterst lage renten. Ook de SWAP-rente daalde sterk, en varieerde bovendien nog fors van dag tot dag. En zo stortten ook de dekkingsgraden van de meeste fondsen in, tot vaak in de buurt van 0,9. Dus niet omdat de aandelenkoersen gezakt zijn (want die zijn inmiddels alweer aardig hersteld), of omdat het feitelijk rendement op het vermogen tegen zit, maar louter omdat de actuele verplichtingen berekend worden met een wispelturige bankrente die geen enkele relatie meer heeft met de rendementen die de fondsen de komende jaren kunnen maken.

Volgens de recente pensioenwet bepaalt de minister (van Sociale Zaken) welke rekenrente de pensioenfondsen moeten gebruiken. Het lijkt erop dat minister Donner de fondsen nog wat langer op de pijnbank wilde leggen. Sommige fondsen zouden de pensioenen al moeten verlagen. Maar bv het grote FME (metaal & electro) weigert dat. Misschien kan de nieuwe minister Kamp zijn ambtenaren een geschikter rekenrente laten uitzoeken, maar wellicht wacht hij daarmee nog even totdat de sociale partners "een nieuw pensioencontract" hebben uitgewerkt (waarin o.a. in die stijgende levensverwachting wordt voorzien, door een ook geleidelijk verder stijgende pensioenleeftijd).

In dat nieuwe contract zou ook komen te staan dat deelnemers in een pensioenfonds nergens op kunnen rekenen. Maar dat is niets nieuws. Ook in het huidige systeem zijn de pensioenbedragen, en zeker niet de indexering gegarandeerd. Sterker, slechts enkele bedrijven waren bereid tekorten in hun eigen bedrijfsfonds aan te vullen. Die garanties gaan nu ook vervallen. En de overheid blijkt niet bereid de miljarden die in de jaren tachtig zijn onttrokken aan ABP en anderen nu nog eens te compenseren. Het streven naar een vast pensioen, liefst met indexatie, blijft bestaan, maar zekerheid ontbreekt nu echt!

Wouter Koning, Utrecht 14-10-2010

dinsdag 27 juli 2010

De maatschappelijke kracht van Welzijn ouderen

Iedereen wil oud worden, maar niemand wil oud zijn.Wanneer het ons overkomt dat we door verlies van gezondheid, dierbaren of inkomen niet langer zonder hulp ons leven kunnen organiseren, gaan er grote vragen spelen. Wie zorgt er voor ons? Hoe wordt het welzijn van de meest kwetsbaren onder ons gegarandeerd? En hoe kunnen we elkaar versterken? Welke hulp is er straks nodig? De noodzaak van passende professionele inzet is nog nooit zo groot geweest.

De complexiteit van het werk neemt toe. Multimorbiditeit en chronische aandoeningen komen steeds vaker voor. Er zijn enorme onderlinge verschillen tussen ouderen. De leeftijd waarop men zich ‘oudere’ voelt stijgt, maar varieert tegelijkertijd. Bovendien zijn er ook jongere mensen met een functiebeperking of chronische ziekte. De zorgkosten rijzen de pan uit, terwijl voor welzijn te weinig oog is. Welzijn ouderen beschikt over een integrale visie en ingrediënten voor de toekomst. Erkenning van de noodzaak tot vernieuwing, koersverandering en verdere professionalisering van de kracht van welzijn ouderen zal niet voldoende zijn. Zonder investeringen bestaat het risico dat het kind (veertig jaar ervaring) met het badwater (welzijn als brede, onduidelijke, bekritiseerde werksoort) wordt weggegooid.

Welzijn ouderen is van oudsher gericht op mensen. Hoe eenvoudig dat ook klinkt, het betekent wel iets. Welzijn is niet gericht op het belang van de eigen organisatie, winst of concurrentie. Als dat wel zo zou zijn, of als de overheid dat zou stimuleren, geeft dat niet alleen frictie in de doelstelling, maar zou het vrijwilligers ook afschrikken. Ook zou dat hulpvragers in twijfel brengen en netwerken doen uiteenvallen. De burger als hulpvrager of mantelzorger hoort centraal te staan. Bij welzijn ouderen is dat volgens mij altijd zo geweest. Of iemand nu problemen heeft, in beweging wil blijven, zijn sociale netwerk wil uitbreiden of de zorg voor zijn partner niet meer aankan. De focus ligt, ook van oudsher, op versterken, herstellen of compenseren van de zelfredzaamheid van mensen. Daartoe zijn er vele diensten, interventies en ontmoetingsmogelijkheden, die met elkaar te verbinden zijn.

Zo kan een vrijwilliger van Tafeltje-dek-je een oudere wijzen op de mogelijkheid van de Boodschappenplusbus om weer zelf inkopen te kunnen doen, wetende dat deze dienst gericht is op het stimuleren van sociaal contact. Bij het welzijnswerk ontmoeten ouderen elkaar en wordt het ook opgemerkt als het minder goed gaat. Rechtstreeks of via verwijzers kan een cliënt-/ouderenadviseur worden ingeschakeld om te checken of er iets nodig is, een passend traject te starten en te informeren hoe het met mantelzorgers gaat. Zo kan het zijn dat de partner naar de Beweegwinkel wordt verwezen en de deelnemer naar de huisarts of de ouderenpoli. Ook mogelijk is dat de partner enkele dagdelen per week wordt ontlast door dagverzorging in te schakelen. Kinderen die ver weg wonen, komen weer in beeld als een oudere naar het computercafé gaat om met hulp van vrijwilligers te e-mailen.

Recente ontwikkelingen binnen welzijn ouderen stellen de burger niet alleen centraal als hulpvrager of mantelzorger, maar ook als initiatiefnemer en zichzelf ontwikkelende vrijwilliger. Voorbeelden zijn te vinden binnen de projecten ‘actief ouder’ van het Oranje Fonds. De expertise in solidariteit van ouderen die iets voor anderen willen betekenen, is niet nieuw. Welzijn ouderen ontwikkelt zich met de hulp van fondsen, opdat zij nieuwe generaties ouderen met andere leefstijlen van dienst kan zijn.
Om welzijn van mensen te versterken, is maatwerk nodig. Dat begint met goed luisteren, kijken en doorvragen. Ook dat is niet nieuw. In de toekomst zal de expertise in het werken met cliënten, vrijwilligers en mantelzorgers nog sterker moeten worden gecombineerd met de expertise in het verbinden van mensen. De uitdaging is om meer te focussen op de kracht van netwerken. De mens staat centraal, maar nu met zijn of haar netwerk.

De sector werkt ook aan een meer ondersteunende dan organiserende houding van de professional. Hoe zelfstandig een groep senioren ook is, op iedere locatie worden groepsprocessen ondersteund en afspraken gemaakt. Ruimte, vertrouwen en verantwoordelijkheid geven is niet genoeg. Van professionals wordt veel gevraagd. Zelfstandigheid respecteren, versterken, herstellen of ondervangen is een vak. Ook vroegsignalering en onafhankelijk advies is een kunst. De wens om samen te werken met wijkbewoners – zelf vrijwilligers - en ouderenorganisaties is er, net als de wens om goed op de hoogte te zijn van het aanbod van alle partners op het gebied van welzijn, zorg, wonen, educatie, gezondheidsvoorlichting, financiële dienstverlening, eerstelijnszorg en meer. De lijst wordt steeds langer. Denk maar aan samenwerking met commerciële bedrijven (sponsoring, maatschappelijk ondernemen) en scholen (maatschappelijke stages). Daar bovenop zijn er steeds meer verzoeken van re-integratiebureaus voor vrijwilligerswerk voor hun klanten. Hiervoor krijgen welzijnsorganisaties overigens, net als voor maatschappelijke stages, nog geen begeleidingsuren vergoed.

Gezond gedrag, maatschappelijke inzet, zelfredzaamheid, preventie van (dure) zorg of eenzaamheid wordt met succes, in samenwerking gestimuleerd. Er wordt opgespoord wat iemand nodig heeft en welke keuzemogelijkheden er zijn. Huisbezoeken door professionals en vrijwilligers, een bezoekdienst voor en door weduwen en weduwnaars, bewegingsaanbod, ondersteuning voor zilveren kracht, het is er allemaal. Niet als los zand, maar als onderdelen van iets groters. Een mooi uitgangspunt, gebouwd op degelijke fundamenten voor de meest kwetsbare ouderen, maar geschikt voor vernieuwing, uitbreiding, professionalisering en preventie van al te grote kwetsbaarheid.


Bron: Zorg & Welzijn 26 juli 2010